Urencriterium man-vrouwfirma niet discriminerendvrijdag 16 october 2009 | Hoge Raad | | KLJN BF7316, 43992 Bij de invoering van de Wet IB 2001 is het voor ondernemers in een samenwerkingsverband met hun echtgenoot of partner lastiger geworden om te voldoen aan de voorwaarden voor de ondernemersfaciliteiten. Die situatie doet zich met name voor als een van beiden niet beschikt over de vereiste beroepskwalificaties en (daardoor) hoofdzakelijk ondersteunende werkzaamheden verricht. De daaraan bestede uren tellen niet mee voor het urencriterium. Aan het urencriterium moet worden voldaan om recht te hebben op zelfstandigenaftrek. Op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en zo ja, of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor verschillende behandeling van die gelijke gevallen. De wetgever heeft met het zogenoemde gebruikelijkheidscriterium willen voorkomen dat iemand op gekunstelde wijze belastingfaciliteiten gebruikt die niet voor hem zijn bedoeld. Volgens de Hoge Raad is de wettelijke regeling niet discriminerend, zelfs niet als in de praktijk in bepaalde beroepsgroepen meer vrouwen dan mannen op deze wijze de ondernemersfaciliteiten mislopen. |